de groep NEA'ers Den Helder-MaastrichtHeel langzaam voel ik dat de kou bezit neemt van mijn tenen en mijn voeten, de heerlijke warmte van mijn wollen sokken werkt niet meer, ze maakt langzaam plaats voor kilte, totdat ze na een uurtje of wat totaal verstijfd zijn, ijs –en ijskoud.

Niet aan denken, aan die koude voeten, gewoon ne­geren. Behalve mijn koude voeten ben ik heerlijk warm door vijf lagen bovenkleding, een fietskoersbroek, een spijker­broek en een regen­broek, liefdevol en onbaatzuchtig afgestaan door Judith. Mijn handen zijn ge­stoken in rode warme wollen wanten, mijn moraal is optimaal, dus ik geniet als een hond met zeven staarten, al karrend door de donkere dreven van het Brabantse land. Ja, behalve die ijskoude voeten gaat het prima met me: Tijdens de begeleiding van de KIKA-runners van NEA-Volharding van Den Helder naar Maastricht, op de fiets.

Terwijl de eerste lopers, die om drie uur uit Den Helder waren ver­trokken bij Mac Donalds genoten van een kop thee of koffie en een broodje, was ik om half tien in het zadel geklommen om mijn duit in het zakje voor KIKA te doen. Nee, niet om de kilometers te lopen, mijn aandeel was op de fiets te karren om de lopers van NEA V te begeleiden naar Maastricht: 1. voor de broodnodige veiligheid, 2. voor het bewaken van het juiste tempo en 3. voor het hooghouden van het moraal door een beetje op ze in te praten.

Mijn start was om de tweede shift naar Nederhorst den Berg te lood­sen, onze eerste culinaire stop. Onder een zwaar bewolkte lucht en met een straffe noordwesten­wind in de rug ging het over de IJssel­meerdijk naar Durgerdam. Toch hadden we nog even de pech van wind tegen en was het hard werken geblazen voor de lopers. Terwijl boven het water dreigend grijze regensluiers hingen die ons gelukkig op een haar na misten.

NEA'ers Den Helder-Maastricht NEA'ers Den Helder - Maastricht

In Nederhorst den Berg mochten we van een behulpzame, vriende­lijke bewoner onze stekker in het stop­contact van de caravan steken en ook, heel belangrijk, van de toiletpot gebruik maken. Soep, broodjes, koffie, thee, fris, aan alles was gedacht om het kacheltje van de lopers brandende te houden: ‘Wie wil er nog een warm worstje?’.

Als iedereen voor de volgende tientallen kilometers voldaan, ver­kwikt en aanmer­kelijk aangedikt vertrokken is, met Kees in het zadel achter hen aan, ruimen Denise, Kitty en ik de boel op, bedanken de aardige Nederhorstdenbergers hartelijk voor hun hulp­vaar­digheid en rijden we op de Tom Tom naar het volgende punt, een parkeer­plaatsje bij een recreatiegebied onder de rook van de A 15 en de Betuwelijn (waar in vier uur tijd wel drie treinen overheen reden! Hoezo verspilde belastingmiljarden? zeggen we tegen elkaar).

Daar staan drie auto’s vanwaaruit keiharde discotonen klinken. In die auto´s zit een vijftal jongeren, vier jongens en welgeteld één meisje. Gezien het aantal tissues op de grond en de houding van het meisje toen we aan kwamen rijden (haar kruis naar de knapen), kregen we de indruk dat we hen op deze afgelegen plek hadden gestoord in vunzige bezigheden buitenshuis. Kennelijk stelden ze niet erg op prijs dat wij daar voor onze  kook, eet, drink -en plaspauze hadden gekozen (of waren ze klaar met hun cinqootje?), want ze namen na een minuut of vijf de kuierlatten, hun smerigheden achterlatend.

Lacherig kwamen Denise en Kitty op de (toch ook wel) vunzige gedachte dat die jeugd ons wel de inspiratie had gegeven om deze logistieke NEA Volharding stopplaats in het vervolg ‘de afwerkplek’ te noemen. Maar dan om culinaire activiteiten en kundigheden te ontplooien en geen andere.

Na onze NEA vlag in de bomen te hebben gehangen en de namen van het twaalftal ‘Helden van Den Helder naar Maastricht’ met stoep­krijt heel groot op het wegdek te hebben gekalkt (wat tevergeefs bleek te zijn geweest want ze kwamen van de andere kant en hebben onze artistieke vaardigheden dus niet kunnen bewonderen), toveren de beide dames, onder het toeziend oog van een drietal ooievaars die in het land hun kostje bij elkaar zochten, weer het ene culinaire hoog­standje na het andere uit hun hoge NEA V–caravanhoed te­voorschijn: soep, macaroni –en bamischotels en nog veel meer. Goh, wat stelden onze Lange Afstands Atleten dat op prijs, de complimenten waren niet van de bewolkte lucht.

Om half tien liet ik ‘mijn meiden’ op hun ‘afwerkplek’ achter om mijn volgende zes uren in het zadel door te brengen. Dik gekleed met onder meer twee paar dikke sokken aan mijn Ascics (wat onvoldoende bleek te zijn), nestelde ik me achter de eerste lopers op weg naar Zaltbommel en verder. Om een uur of tien ontstak ik mijn witte knipperlicht voor en het rode licht achter, volgens het aloude motto: ‘veiligheid voor alles!’

Gossie, wat lagen die nieuwe Waalbrug en het stadje Zaltbommel daar mooi te wezen in het donker wordende Brabant. Het was een groot genot om hier (voor een goed doel) te mogen fietsen.

Elke 800 meter losten de Kanjers voor KIKA elkaar af en kreeg ik een nieuw loopmaatje om voor te zorgen. Toen het echt donker was lichtte Klaas, de bestuurder van de bus ons met het grote licht op de donkerste gedeeltes van achteren bij. Sommige lopers hadden net als ik een mijnwerkerslampje op hun hoofd om het wegdek voor zich te overzien. Een enkeling leek wel een kermisattractie, die had zelfs zijn schoenen verlicht: een wit lichtje rechts en rood lichtje links aan zijn schoenveters. Nou, als je dat als Brabantse nachtbraker niet zou opmerken was je ècht stekeblind. Het was wel een prachtig gezicht zo in het donker.

Maar wat zouden de Brabanders die ons zo zagen gedacht hebben: wat een halvegaren, welke gek gaat er nou midden in de nacht in het stikdonker kermisachtig gekleed door onze prachtige dreven draven, achtervolgd door een knipperlichtende fietser?

Diep in donker Brabant werd het onder een onbewolkte, prachtige sterrenhemel steeds kouder, ik voelde het aan mijn huid en mijn oren. De temperatuur kwam echt tegen of onder het vriespunt! Toen begon het, de eerste koudmakende teentinte­lingen dienden zich aan. En die kou werd steeds heviger. Sjonge, nog een geluk dat ik de rest van mijn lichaam zo lekker had ingepakt. Nee, voor de rest had ik het niet koud. Maar mijn tenen vroren er zowat af. Niet aan denken, aan die koude tenen. Denk maar aan de KIKA- kinderen voor wie je het allemaal doet en die veel slechter af zijn. Die zouden er ik weet niet wat voor doen om op een fietsie in nachtelijk donker Brabant onder een onbewolkte sterrenhemel met ijskoude tenen achter een hard­loper rond te karren, toch?

Nu en dan vraag ik de lopers hoe het met ze gaat: ‘Alles goed? Jan, Johan, Peter, Kees, Thomas, Dahne?’ ‘Ja hoor Wim, maak je maar geen zorgen, het gaat prima. En jij, gaat het met jou ook nog?’ ‘Ja hoor, in dit tempo kar ik zo direct door naar het Vrijthof in het sjoene Meestrich’. Opschepper!

En dan is daar de bevrijding voor mijn ijskoude tenen. Daar, in het prachtige donker Limburgs dorpje Bakel, stonden Denise en Kitty en de volgende ploeg die ‘mijn’ lopers zouden aflossen. Ik deelde mee in de warme soep die ik al dansend opat. Wat enkele jonge Brabantse nacht­brakers die op de fiets langskwamen deed verzuchten: ‘Wat heeft die man? Waarom danst hij zo gek?’. ‘‘Die gek is mijn vader’, zei Denise, ’die begeleidt lopers. En hij is niet gek hoor, hij heeft alleen hele koude tenen.’ Na een kop warme koffie en een pannenkoek gingen ze naar hun warme bedje met de Brabantse wens: ‘Houdoe.’ Dat deed ik ook, maar niet in een warm bedje. Toen het hele team vertrokken was ging ik in de caravan even languit liggen voor een her­stellend tukkie. Maar niet eerder nadat Denise mijn voetjes lekker warm in een dekentje had ingepakt. Wat knapten ze daar van op!

Een uurtje of wat later vonden we in…..een prachtig stekkie, op een door de vroege ochtendzon verwarmd plein in St. Odiliënberg nabij de prachtige kathedraal met twee torens (en een toilet­ruimte in de struiken). Aan het door middel van indringend kerkklokkengelui gedane verzoek van meneer pastoor om ter kerke te gaan voldeden we maar niet. We hadden belangrijker dingen te doen: koolhydraten stapelen in de spieren van KIKA’s Heroes.

De laatste 35 kilometers kruip ik weer in het zadel en rij onder een stralende zon met hele mooie witte cumulus mooiweerus wolkjes aan de hemel, door het prachtige, glooiende, liefelijke Limburgse heuvel­landschap met zijn vele mooie dorpjes, achter de lopers aan. Op de Cauberg was het toch nog even afzien. Die Cauberg zou de opmaat zijn voor de volgende klimmetjes die er aan zaten te komen. Voor de lopers was het zwaarder dan voor mij maar het ging prima met ze, ook omdat was gekozen om elke 600 meter af te lossen.

Dan is daar, na ruim 36 uur rennen (en fietsen) om drie uur de finish aan de Maas­boulevard in Maastricht. Waar Denise en Kitty, onze uitste­kende logistieke verzorgsters ons verwelkomen. Op de voet­gangersbrug verzamelen we en gezamenlijk gaan we, aange­kondigd door de voorzitter van de KIKA-run Den Helder–Maastricht onder het toeziend oog van vele terrasbezoekers met luid gejuich onder het finishdoek door. Foto, foto!  Wat smaakt die welverdiende Limburgse Vlaai, weggespoeld met koud bier of een colaatje daarna lekker.

Om vijf uur wordt de terugreis aanvaard en na een voorspoedige reis komen we op zondagavond 13 mei om acht uur weer thuis op de atletiekbaan. De vele welgemeende bedankjes over en weer zijn hartverwarmend èn gemeend. Sport verbroedert, dat is het afge­lopen weekend weer eens bewezen.  

Dan nemen we afscheid van elkaar na een onvergetelijk weekend: De KIKA-run Den Helder-Maastricht, 12 en 13 mei 2012.

Wim Essenburg